Kerst- en nieuwjaarstoespraak

In mijn familie hadden we rond 1900 twee broers, Henry en Leon, die samen een meelfabriek runden. Aan het begin van het nieuwe jaar sprak Leon ter gelegenheid van het vijftigjarige jubileum van de fabriek een gezelschap toe, waarbij hij zichzelf niet bepaald uit de schijnwerpers hield: ‘En toen zorgde ik voor ...’, ‘En toen greep ik in omdat ...’, ‘En toen ging het opeens ...’ Na deze hommage aan zichzelf nam Henry het woord om de plaquette te onthullen en zei in zwaar Limburgs dialect: 'Ik weet het Leon, en wij hier weten het allemaal. Als 's morgens de zon opkomt’ en hij wees in de richting van zijn broer, ‘dan is dat  jouw werk.’

Kerstborrels en nieuwjaarsrecepties. Het spreekseizoen staat weer voor de deur. CEO's, HR-directeuren en afdelingsmanagers doen alvast hun rek- en strekoefeningen. Wat werkt nou wel en wat niet? Om bij dat laatste te beginnen: opsommingen. En toen dit, en toen dat. Werkt niet. Nu niet en nooit niet. En waarom niet? Omdat we een referentiepunt missen. En wat is dat referentiepunt? Juist, dat ben je als spreker zelf. De eerste persoon enkelvoud is nu eenmaal dé persoonsvorm van de verteller. En het vermijden van die persoonsvorm maakt een speech afstandelijk en onpersoonlijk. Het komt ook onnatuurlijk over. Iedereen ziet je daar namelijk staan.

Maar is het woordje 'ik' dan niet verdacht? Tja, dat hangt af van je psychische dispositie. Hoe meer ego, hoe meer je op je tellen moet passen. Ego is een beest dat je voor een speech maar beter in zijn kooi kunt houden. Met speechen moet je juist identificatieruimte creëren. Je gehoor moet zich met je verhaal kunnen identificeren. Dus niet zoals Leon: ik heb dit en ik heb dat, maar meer verhalend: 'Ik las vanmorgen in de krant dat...', 'U heeft onlangs vast wel gehoord dat...'   ‘Ik hoorde dat ...’,  ‘Ik kwam laatst ...’,  ‘Toen ik ...’. 

Logisch, want wat is nou de bedoeling van een kerst- of nieuwjaarstoespraak? Wat wil je bereiken? Dat je medewerkers met een goed gevoel naar huis gaan. Trots op wat ze in 2016 hebben gepresteerd, opgeladen voor wat ze in 2017 moeten gaan presteren. Hier 12 tips voor een succesvolle toespraak:

1.     Een speech duurt niet langer dan 5 – 15 minuten. Uitzonderingen daargelaten. Maar langer dan 20 minuten gaat al gauw vervelen. En Dolf Jansen praat op mitrailleursnelheid 236 woorden per minuut en de koning in zijn kersttoespraak op musket-snelheid 130 woorden per minuut. Normaal is 130 tot 170 woorden per minuut. 

2.     Maak van terugkijken en vooruitblikken geen nevengeschikte opsomming. Kijk waar het wezenlijk om gaat en zoek daar de anekdote bij.

3.     Schilder zo’n anekdote met liefde voor details: gezichten, kleding, woordgebruik, houding, citaten, voorwerpen, settings, weersomstandigheden, achtergronden. Probeer het allemaal letterlijk voor je te zien. En denk aan zintuigen: hoe rook het? Wat zag je? Wat hoorde je? Wat voelde je?  

4.     Kleine concrete woorden zijn altijd beter dan grote abstracte woorden waar niemand zich iets bij kan voorstellen. Dat pleit voor beeldend taalgebruik. Gebruik ook niet teveel dure woorden als je ook betaalbare woorden kunt gebruiken.

5.     Elke toespraak kent dezelfde opbouw: begin, midden en eind. Besteed extra aandacht aan het begin en het eind en verbind die twee met elkaar.

6.     Het grote verschil tussen een gesproken en geschreven tekst is de informatiedichtheid. Daar is in een gesproken tekst veel minder ruimte voor. Dat betekent: geen enerzijds/anderzijds redeneringen, maar grote halen snel thuis.

7.     Een clou of conclusie als een open deur is helemaal niet erg. Mensen horen graag wat ze zelf ook vinden.

8.     Hou het vooral positief. Mensen luisteren graag naar een positief verhaal dat op een enthousiaste manier wordt gebracht.

9.     Schrijf je verhaal een keer helemaal uit. Kijk of de conclusie volgt uit wat er aan vooraf gaat (het verbinden van het begin met het eind via het midden). Daar krijg je beter zicht op als je de rode draad onderverdeelt in een stuk of zeven alinea's, "ijsschotsen" die van je opening naar je clou voeren.

10.  Vat die ijsschotsen samen in kernwoorden. Eigenlijk zou je dan je verhaal moeten kunnen vertellen alleen op basis van die kernwoorden. Het is helemaal niet erg als je dan wat details van je verhaal vergeet, zolang je maar de rode draad vasthoudt.

11.  Laat je mimiek en lichaamstaal op een natuurlijke manier corresponderen met passages van je verhaal.

12.  En tot slot: probeer je hetgeen je vertelt ook daadwerkelijk vóór te stellen. Tastbaar. Als je zelf niet gelooft in wat je staat te vertellen, of als je er zelf geen beeld bij krijgt, krijgt je gehoor dat zeker niet.

Succes!

Bob Duynstee

Commentaar schrijven

Commentaren: 0