Twaalf tips voor een speech, lezing, presentatie of toespraak

Wie gaat speechen mag dat best in de ik-persoon doen. Graag zelfs. Maar je ego kun je beter achter slot en grendel zetten. Twaalf tips die wij als speechwriters in de loop der jaren hebben verzameld.

CEO houdt een speech, lezing, presentatie, toespraak

In mijn familie hadden we rond 1900 twee broers, Henry en Leon, die samen een meelfabriek runden. Aan het begin van het nieuwe jaar sprak Leon ter gelegenheid van het vijftigjarige jubileum van de fabriek een gezelschap toe, waarbij hij zichzelf niet bepaald uit de schijnwerpers hield: ‘En toen zorgde ik voor ...’, ‘En toen greep ik in omdat ...’, ‘En toen ging het opeens ...’ Na deze hommage aan zichzelf nam Henry het woord om de plaquette te onthullen en zei in zwaar Limburgs dialect: 'Ik weet het Leon, en wij hier weten het allemaal. Als 's morgens de zon opkomt’ en hij wees in de richting van zijn broer, ‘dan is dat  jouw werk.’

Speech

Iedereen moet wel eens iets voor een groep zeggen. CEO's, HR-directeuren en afdelingsmanagers zelfs heel vaak. Bijvoorbeeld op nieuwjaarsrecepties en bij kersttoespraken. Wat werkt nou wel en wat niet? Om bij dat laatste te beginnen: opsommingen. En toen dit, en toen dat. Werkt niet. Nu niet en nooit niet. En waarom niet? Omdat we een referentiepunt missen. En wat is dat referentiepunt? Juist, dat ben je als spreker zelf. De eerste persoon enkelvoud is nu eenmaal dé persoonsvorm van de verteller. En het vermijden van die persoonsvorm maakt een speech afstandelijk en onpersoonlijk. Het komt ook onnatuurlijk over. Iedereen ziet je daar namelijk staan.

Speechen

Maar is het woordje 'ik' dan niet verdacht? Tja, dat hangt af van je psychische dispositie. Hoe meer ego, hoe meer je op je tellen moet passen. Ego is een beest dat je voor een speech maar beter in zijn kooi kunt houden. Met speechen moet je juist identificatieruimte creëren. Je gehoor moet zich met je verhaal kunnen identificeren. Dus niet zoals Leon: ik heb dit en ik heb dat, maar meer verhalend: 'Ik las vanmorgen in de krant dat...', 'U heeft onlangs vast wel gehoord dat...'   ‘Ik hoorde dat ...’,  ‘Ik kwam laatst ...’,  ‘Toen ik ...’. 

 

Logisch, want wat is nou de bedoeling van een speech, presentatie, lezing of toespraak? Wat wil je bereiken? Dat je gehoor (klanten, relaties, medewerkers) zich in je verhaal herkennen. Denk aan een nieuwjaarstoespraak of kersttoespraak; dan wil ook dat je medewerkers met een goed gevoel naar huis gaan. Trots op wat ze in 2016 hebben gepresteerd, opgeladen voor wat ze in 2017 moeten gaan presteren.

troonrede

Eigenlijk is veel van wat we bespreken in 'Hoe schrijf je een artikel' ook van toepassing op de speech. In elk geval qua structuur. Ook een speech is een kwestie van componeren. Zoals elk verhaal bestaat de speech uit drie elementen: opening, middenstuk en slot. Die elementen worden door het verhaal aan elkaar gesmeed. Noem het de rode draad. Er is een punt dat je wilt maken. Niet vijf, maar één. En dan nog... makkelijk is het niet. Voor een State of the Union in de VS door president Trump of in het Europees Parlement door Commissievoorzitter Junker of de Troonrede door koning Willem Alexander worden vaak meer dan twintig (!) versies geschreven. Elk woord wordt op een goudschaaltje gewogen. En zoals zo vaak geldt dan het gezegde: A camel is a horse, designed by a committee.   

valkuilen

De drie beruchtste valkuilen voor een speech of presentatie zijn: de spreker verstop zich. Hij blijft zich in algemeenheden en abstracties hullen. Of in jargon. Of in clichés. Je krijgt er als luisteraar geen grip op. Waar gaat dit over? Dan heb je de spuier. De dikdoener. Die wil laten zien hoeveel hij wel niet weet. Maar ondertussen gaat hij voorbij aan de essentie, namelijk dat je in een verhaal een punt wilt maken. Het is geen kwestie van zoveel mogelijk nevengeschikte kennis spuien. En dan heb je de nerveuze spreker die bang is dat hij iets vergeet, waardoor hij de lijn van zijn verhaal vergeet. Dus is er maar één vraag die je je in de voorbereiding stelt: wat is je kernboodschap?  

Twaalf tips voor een succesvolle speech, lezing, presentatie of toespraak

  • Een speech duurt niet langer dan 5 – 15 minuten. Uitzonderingen daargelaten. Maar langer dan 20 minuten gaat al gauw vervelen. En Dolf Jansen praat op mitrailleursnelheid 236 woorden per minuut en de koning in zijn kersttoespraak op musket-snelheid 130 woorden per minuut. Normaal is 130 tot 170 woorden per minuut. 
  • Maak van terugkijken en vooruitblikken geen nevengeschikte opsomming. Kijk waar het wezenlijk om gaat - de kernboodschap - en zoek daar de anekdote bij.
  • Schilder zo’n anekdote met liefde voor details: gezichten, kleding, woordgebruik, houding, citaten, voorwerpen, settings, weersomstandigheden, achtergronden. Probeer het allemaal letterlijk voor je te zien. En denk aan zintuigen: hoe rook het? Wat zag je? Wat hoorde je? Wat voelde je?  
  • Kleine concrete woorden zijn altijd beter dan grote abstracte woorden waar niemand zich iets bij kan voorstellen. Dat pleit voor beeldend taalgebruik. Gebruik ook niet teveel dure woorden als je ook betaalbare woorden kunt gebruiken.
  • Elke toespraak kent dezelfde opbouw: begin, midden en eind. Besteed extra aandacht aan het begin en het eind en verbind die twee met elkaar.
  • Het grote verschil tussen een gesproken en geschreven tekst is de informatiedichtheid. Daar is in een gesproken tekst veel minder ruimte voor. Dat betekent: geen enerzijds/anderzijds redeneringen, maar grote halen snel thuis.
  • Een clou of conclusie als een open deur is helemaal niet erg. Mensen horen graag wat ze zelf ook vinden. Denk aan Tom Egberts die ook alleen maar vertelt wat de mensen willen horen. 
  • Hou het vooral positief. Mensen luisteren graag naar een positief verhaal dat op een enthousiaste manier wordt gebracht.
  • Schrijf je verhaal een keer helemaal uit. Kijk of de conclusie volgt uit wat er aan vooraf gaat (het verbinden van het begin met het eind via het midden). Daar krijg je beter zicht op als je de rode draad onderverdeelt in een stuk of zeven alinea's, "ijsschotsen" die van je opening naar je clou voeren.
  • Vat die ijsschotsen samen in kernwoorden. Eigenlijk zou je dan je verhaal moeten kunnen vertellen alleen op basis van die kernwoorden. Het is helemaal niet erg als je dan wat details van je verhaal vergeet, zolang je maar de rode draad vasthoudt.
  • Laat je mimiek en lichaamstaal op een natuurlijke manier corresponderen met passages van je verhaal 
  • En tot slot: probeer je hetgeen je vertelt ook daadwerkelijk vóór te stellen. Tastbaar. Als je zelf niet gelooft in wat je staat te vertellen, of als je er zelf geen beeld bij krijgt, krijgt je gehoor dat zeker niet.

Succes!

 

Bob Duynstee

Wilt u verder praten over een speech, lezing, toespraak of presentatie?

Opmerking: De met * gemarkeerde velden zijn verplicht.

Commentaar schrijven

Commentaren: 0